Waarom nieuwe vliegtuigen steeds later worden geleverd
In dit artikel:
Luchtvaartmaatschappijen wereldwijd kampen met aanzienlijke vertragingen bij de levering van zowel narrowbody- als widebody-vliegtuigen, met directe gevolgen voor vlootplanning en passagierscapaciteit. De grootste fabrikanten, Airbus en Boeing, ervaren al jaren productiestoringen die tijdens de coronapandemie werden verergerd doordat toeleveringsketens deels stilvielen en personeel en onderdelen schaars werden. Na de crisis nam de vraag naar zuinigere toestellen snel toe, waardoor de productie onder extra druk kwam te staan.
Een belangrijke knelpunt zijn vliegtuigmotoren. De hernieuwde vraag samen met de technische complexiteit van moderne, zuinige motoren zorgt voor flinke leveringsproblemen bij motorproducenten. Bij Pratt & Whitney leidde een productiefout in onderdelen van de veelgebruikte GTF-motoren tot extra inspecties en tijdelijke uitval van honderden motoren, waardoor toestellen — onder meer bij KLM — langdurig aan de grond bleven. Bovendien blijkt P&Ws prioritering van revisies boven nieuwe leveringen de aflevering van motoren voor nieuwe Airbus A320neo’s te bemoeilijken; Airbus‑CEO Guillaume Faury heeft daar kritiek op geuit.
Ook nieuwe widebody‑programma’s lopen achter. De Boeing 777X, aanvankelijk gepland voor rond 2020, heeft te maken met technische problemen en certificatievertragingen; eerste leveringen worden nu niet vóór de tweede helft van dit decennium verwacht. Grote werkgevers zoals Emirates en Lufthansa moeten daardoor oudere 777‑300ER’s en andere widebody’s langer in gebruik houden, wat hogere brandstofkosten en meer CO2-uitstoot met zich meebrengt dan bij jongere typen zoals de 787 of A350.
Door de uitgestelde leveringen hebben airlines minder capaciteit voor het openen of uitbreiden van routes, waardoor groeiplannen vertragen. Analisten verwachten dat productiecapaciteit de komende jaren geleidelijk verbetert, maar dat de achterstanden nog lang niet volledig zijn weggewerkt — in sommige gevallen wordt levering pas rond 2035 genoemd. Hoe snel de keten stabiliseert hangt uiteindelijk af van de toekomstige vraag en het vermogen van fabrikanten om hun productie op te schalen. In de tussentijd zoeken maatschappijen naar tijdelijke oplossingen zoals het langer inzetten van oudere toestellen, leasen of route‑aanpassingen.